Shit, ik ben hem kwijt…
Het water weerspiegelt de zon, de warmte zindert in de stad die lijkt te vertragen, die stiller wordt zo rond de middag. Languit in schaduw lig ik in de kuip te lezen. Ik hoor het vrolijke lachen en plonsen weerkaatsen tussen de kademuren van de haven en loop naar de boeg van onze zeilboot waar ik mijn jongens zie stoeien en plezier maken met de sup-plank en onze rubberboot. Snel maak ik er een paar foto’s van en ga terug naar de kuip. Ik geniet ervan om hier, middenin Middelburg te liggen met de boot, ik houd van de oude kades met de veelheid aan pakhuizen. Waar wij liggen kijken we precies uit op pakhuis ‘Noorwegen’ met zijn prachtige Scandinavisch-rood geschilderde deuren.
Als ik weer in de schaduw ga zitten en mijn boek weer oppak valt me op dat het geluid van gelach, geplons en gepeddel steeds zachter wordt. Ineens voel ik dat er iets niet klopt, ik hoor de jongste niet meer. In een tel sta ik op de steiger waaraan onze boot afgemeerd ligt. Ik kijk snel waar de jongens zijn en tel hun koppen. De oudste met zijn vriendin op de supplank, de middelste die hen eraf probeert te duwen, maar waar is de jongste? De schrik slaat me om het hart.
‘Waar is Peer? Hé mannen, waar is jullie broertje?’ roep ik terwijl ik de paniek in mijn lijf voel. Geschrokken kijken ze op van hun spel naar waar ze vandaan zijn komen varen.
Ik wacht hun antwoord niet af en begin over de steiger te rennen, ‘Peer, Peer! Waar ben je?’ roepend. Ik hoor niets, ik zie hem niet. ‘Shit, ik ben hem kwijt,’ denk ik. Ik voel mijn gezicht verkrampen, tranen branden achter mijn ogen en ik loop vertwijfeld verder over de steiger. Roepend, zoekend.
‘Hij is hier!’ hoor ik ineens aan de overkant van de kade een man roepen. ‘Hij hangt daar aan de steiger.’ De plek waarnaar hij wijst is helemaal aan het einde van de steiger. Ik ren er als een bezetene naar toe. Dan vind ik mijn jongste zoon, hangend aan een touw tegen een steigerpaal, huilend, bloedend van de scherpe schelpen die aan het trapje zitten waarlangs hij uit het water probeerde te komen.
‘Het trapje was te glad, pap. Ik kwam er niet uit. Hoorde je me niet roepen?’, snikt hij.
Ik laat me op mijn knieën vallen, pak hem bij zijn polsen en til hem het water uit. Goddank, hij leeft nog. Ik pak hem stevig vast. Hij slaat zijn natte armpjes om mijn nek. Ik voel zijn koude lijfje rillen tegen mijn warme lijf. Mijn schuldgevoel knijpt mijn keel dicht en ik stamel: ‘Sorry vent, ik heb niet opgelet. Ik hoorde je niet. Maar wat ben ik blij dat ik je gevonden heb.’ Vanuit mijn ooghoeken zie ik dat de man aan de overkant is blijven kijken en ik steek mijn hand naar hem omhoog als teken van dank. Een te karig gebaar voor de dienst die hij me bewees, besef ik tegelijkertijd. Maar hij lacht naar me, steekt zijn duim op, zwaait en loopt weer verder.
